![]() |
Gouds lakenlood als geschiedkundige bronAfgezien van enige mededelingen van mr. C.J. de Lange van Wijngaarden is over de geschiedenis van de Goudse lakenindustrie nog niets gepubliceerd Deze woorden vormen het begin van Geselschaps artikel "De lakennijverheid" uit 1972. Hij stelde vast dat het gemis aan een behoorlijke geschiedschrijving niet gelegen lag in het feit dat de lakenindustrie onbeduidend was. Integendeel, in het begin van de zeventiende eeuw was het de belangrijkste nijverheid van de stad. Meer dan 3000 arbeiders waren erin werkzaam. Het ontbreken van een goede historiografie is voornamelijk te wijten aan het ontbreken van veel gegevens: grote delen van de gildenarchieven zijn verloren gegaan. Na Geselschap heeft geen historicus zich meer gewaagd aan het scheppen van een totaalbeeld van de lakennijverheid. Zijn artikel staat daarom nog steeds als een huis. Desalniettemin is er kritiek op te leveren. Eén archief heeft archivaris Geselschap namelijk niet beroerd, ondanks de schat aan gegevens die daar nog opgeslagen ligt. Beter gezegd: voor het opgraven ligt. We doelen op het bodemarchief. Vreemd is de lacune in zijn werk overigens niet. Pas in 1973, een jaar na publicatie van het artikel, werd ten aanzien van de lakennijverheid een interessante archeologische vondst gedaan. Bij de restauratie van de Agnietenkapel werden de funderingen gevonden van ovens waarop verf werd gestookt. a de aansluiting van Gouda bij de Opstand (1572) moesten de zusters uit de kapel verdwijnen. Na de val van Antwerpen (1585) namen Vlaamse arbeiders hun intrek in het gebouw en werd de kapel tot werkplaats, compleet met ovens, ingericht. Een opgraving van de amateur-archeologen van Golda in 1999 bracht nog twee ovens aan het licht. Deze mysterieuze ovens aan Raam 17/19 bleken tevens twee verfovens te zijn. Naast deze ovens leverde de opgraving tevens een lakenlood op met de letters SA. Vermoedelijk staan deze letters voor Gijsbertsz. Sas, burgemeester van Gouda en tevens lakenverver. In 1615 kocht hij het pand Hoge Gouwe 145. Dit is identiek aan het perceel waarop Raam 17/19 stond. Bij de waarde van het lakenlood als bron voor de bestudering van de lakennijverheid in Gouda willen wij in dit artikel stilstaan. Daarbij gaan we eerst in op welke informatie de loden kunnen geven. De Amsterdamse gemeente-archeoloog Jan Baart gaf in zijn artikel "De materiële stadskultuur" een treffend voorbeeld van de waarde van een lakenlood als bron. In de Warmoesstraat werd een lakenzegel van de stad Leiden uit de laatste helft van de dertiende eeuw gevonden. Het oudste document dat getuigt van een georganiseerde lakennijverheid in Leiden. Immers, de zegels symboliseerden een keuring op kwaliteit van het laken: een teken van een bestaande organisatie. Baart onderstreepte dat het lood ook heraldisch interessant is. Het is de oudste afbeelding van het stadswapen van Leiden (met nog slechts één sleutel). Tevens kan aan de hand van dit voorbeeld worden gewezen op het feit dat er reeds regionale handel in laken bestond. In ieder geval tussen Leiden en de nederzetting aan de Amstel. Daarmee zijn drie aandachtsvelden genoemd waarvoor het lood als informatiebron kan dienen: 1- de organisatie van de lakennijverheid; 2- heraldiek casu quo determinatie van de (werk-)plaats van herkomst; 3- de verspreiding (door handel) van laken. Organisatie van de lakennijverheid: het lood als keurmerk In de Goudse "Keuren op de draperie", die in 1505 van kracht gingen, wordt doeltreffend verwoordt welke functie de lakenzegels hadden. Bij hun aanstelling moesten de waardijns, degenen die de kwaliteit van het kwaliteit controleerden, zweren alle laeckenen, die qualick gheverwet zijn, alle laeckenen, die te groff van hair zijn, ende alle onghelijcke laeckenen (...) onghesegelt te laeten. Het laken diende dus om de hoge kwaliteit te garanderen. De beste kwaliteit was de puik. Het voorlaken was van mindere kwaliteit. Op het lood werd aangegeven in welke categorie het desbetreffende laken viel. De strenge controle zorgde ervoor dat de koper volkomen vertrouwde op de gegevens die het lood vermeldde zonder het laken zelf aan een test te onderwerpen. Aan het eind van de zestiende eeuw was één lood niet meer voldoende om alle informatie te bevatten die van belang was, zoals: lengte; kwaliteit; plaats van productie; het verfprocedé en welk soort stof. Aangaande dit laatste punt; na de middeleeuwen kwamen er meer stoffen op de markt, zoals fusteinen en saaien, veelal van mindere kwaliteit. Als een laken het staallood aangehecht kreeg, was het laken af. Er mocht niet meer aan de stof gewerkt worden. Het staallood was weliswaar het laatste zegel aan het laken, het was zeker niet het eerste. Na iedere deelbewerking werd het laken gekeurd. Die wever of volre of verwer of droechscherer deed na zijn werk een lood met zijn huismerk aan de stof om het door de waardijns te laten keuren. Na goedkeuring hechtten zij er een lood aan met het stadswapen en kon het laken naar de volgende bewerking. Of terug naar degene die zijn werk niet goed had verricht. In dat geval werd het lood van een klop -een inslag- voorzien, waaruit de bewerker af kon leiden wat eraan schortte. Bijvoorbeeld de D duidde op een te dunne stof. Het mag duidelijk zijn dat de keurmeesters geen loopje met zich lieten nemen. Je moest daarom ook niet met flutkwaliteit aankomen. In het keurboek stonden in dat geval de straffen al vast. Als het laecken an den raem geen lood creech by sculde van den verwer ging hem dat geld kostten. Kreeg hij zelfs geen klein lood -de grootte van het lood speelde dus een rol in de rangorde- dan moest de verver het laken overnemen voor de prijs van een laken met een vol -lees: groot- lood. De deelbewerker was dus gewaarschuwd. We constateerden reeds dat de waardijns gebruik maakten van verschillende loden. Verschillend qua grootte, qua klop en qua afbeelding. Ieder kenmerk van het laken kon op het zegel aangegeven worden. Illustratief is het volgende voorbeeld. Wilde men van grauwe wol een voorlaken maken, moesten de keurmeesters die laeckenen teyckenen mit een sonderlinge loot. De deelbewerkers hebben tevens bijgedragen aan de verscheidenheid aan verschijningsvormen van de loden. Naar vorm zijn de pijp- en pinneloden te onderscheiden. De pijploden zijn langwerpige loden die om een aantal draden werden geklemd . Met name wevers maakten gebruik van dit type lood. Een pijplood van Goudse makelij is ons niet bekend. De meest voorkomende loden zijn de pinneloden. Deze bestaat uit twee ronde schijfjes, verbonden door een lip, die op elkaar werden geklemd. De pin van de ene schijf paste in het gat van de andere. Een deelbewerkerspinnelood is zeker het eerder genoemde lood van de Raam met de initialen SA. Verver Gijsbert Sas maakte aan de waardijns duidelijk dat ze met een halffabrikaat uit zijn werkplaats hadden te maken. Met dit voorbeeld zijn we aangekomen bij het volgende onderwerp: de beeldenaar en/of tekst als informatiebron voor heraldiek c.q. determinatie van de (werk-)plaats. Loden schild De eerste vraag die de amateur-archeoloog zich stelt bij het uit de bodem halen van een lood is: "Zal er nog iets op staan?" Na het vuil verwijderd te hebben, kan hij pas goed beoordelen of de vondst iets van zijn geheimen prijsgeeft. Een stadswapen of plaatsnaam -niet zelden aanwezig- is altijd mooi meegenomen. De plaats van herkomst is dan in ieder geval bekend. Hoewel, zo zeker is dat niet altijd. De gegevens waren immers niet altijd betrouwbaar. Nog in 1777 vroeg Amsterdam om een straf bij het zegelen van een Amsterdams lood aan lakens van buiten de provincie. Hoewel vervalsingen dus voorkwamen, moeten we de heraldische waarde die een lood kan hebben zeker niet onderschatten. Baart toonde dat aan met zijn Leidse lood met slechts één sleutel. Wat betreft de Goudse lakenloden is het interessant dat we alleen het wapen met zes sterren hebben aangetroffen. Het zessterrig wapen is overeenkomstig het wapen van de heren Van der Goude. Tot 1615 werd het stadszegel met slechts twee sterren gebruikt. Qua vorm van het wapen vertonen de loden wel verschillen. Het schild heeft meestal een half-cirkelvormige onderkant. Een enkele heeft een scherpe onderkant. Een gevonden staallood heeft twee klimmende, aanziende leeuwen als schildhouders. Boven het schild zien we een grafelijke kroon. Onder het schild de doornen die we kennen uit de Goudse stadsleus Per aspera ad astra (Door de doornen naar de sterren). Zowel de leeuwen als de doornen komen in de zeventiende eeuw voor het eerst voor. Om naast de plaats van herkomst ook nog de werkplaats te kunnen determineren is afhankelijk van de aanwezigheid van een huismerk of een prentersmerk. Op het huismerk stond het meesterteken van de deelbewerker. Een voorbeeld is de SA van Sas. De prenter was de waardijnsknecht die het weverslood van een merk voorzag: het prentersmerk. Of een van de bekende Goudse loden en prentersmerk toont, is niet aan te geven. In ieder geval zien we verscheidene loden met een merkteken. Van een lood met een tweekoppige adelaar vermoeden we dat het gaat om een ververslood. Verscheidene verversgilden voerden de adelaar in hun schild. Tot slot kijken we naar het nut van het lakenlood als vondst ten aanzien van het verspreidingsgebied van het Goudse laken. De meeste bekende loden zijn in Gouda of in de directe omgeving gevonden. Maar ook in andere gebieden treft men Goudse lakenloden aan. Zo is er in de jaren zeventig bij opgravingen een gevonden op de Houtgracht in Amsterdam. De Amstelstad is een logische vindplaats. Amsterdamse en Haarlemse kooplieden hadden met Gouda een contract afgesloten voor de afname van laken. Het ligt voor de hand dat bij de bestudering van het verspreidingsgebied meer gegevens nodig zijn. Met name stadskernonderzoek kan zijn vruchten afwerpen. Bodemonderzoek zal daar loden aan de oppervlakte brengen op plaatsen waar men de lakens bewerkte. Tevens zullen opgravingen bij keurplaatsen het nodige opleveren. In Gouda moeten we denken aan het gebied nabij de Jeruzalemstraat, waar sinds het begin van de zeventiende eeuw de Looyhal (looy=lood) stond. Het Goudse stadsbestuur stelde in die dagen alles in het werk om Zuidnederlandse lakenarbeiders naar de stad te lokken. Het ter beschikking stellen van werkplaatsen was met al die lege kloosters nog het minste wat het kon doen. Ook werd gereedschap aangeschaft, waaronder enkele stempels om goedgekeurde fusteinen te zegelen. Ondersteunend personeel werkte in de Looyhal, onder wie een loodgieter. Ook het college van gouverneurs hadden een kamer in de hal, waar ook de archiefkist zich moet hebben bevonden. Aangezien het gehele archief verloren is gegaan, durven we te beweren dat ook menig loodje aan de vergetelheid is prijs gegeven. Niet alleen verloren loden, maar ook misslagen zullen in de bodem terecht zijn gekomen. De plaats van gebruik van het laken zal tevens een vindplaats kunnen zijn. Daarbij moet men bedenken dat het laken niet altijd als geheel werd afgenomen. Nam men enkele ellen dan bleef het laken met het lood bij de verkoper achter. Immers, de koper ging op de gegevens op het lood af. Kortom, alleen degene die het laatste stuk kocht kreeg het lood mee. Het beeld van het verspreidingsgebied zal mede om deze reden altijd onvolledig blijven. Conclusie De laatste zin van de vorige paragraaf heeft iets noodlottigs. De gegevens die naar boven worden gehaald, zullen nooit compleet zijn. Maar, en dat is van groter belang, er kan vooruitgang geboekt worden. Een completer beeld dan dat we nu hebben van de Goudse lakennijverheid kan er zeker komen. En de archeologie moet daaraan zijn bijdrage leveren. Zoals gezegd verwachten we veel van stadskernonderzoek. Zelf hebben we bewezen dat ook het zoeken met de metaaldetector in minder stadse gebieden loden kan opleveren. Hoewel hierbij het bodemarchief veelal verstoord is, kunnen we aan de hand van de historische c.q. archeologische context uitwijzen of het lood nog iets te vertellen heeft. Is op oude kaarten te zien dat er vroeger bebouwing was, kan het zijn dat het lood een van die sporen is van het leven en werken van de mens op die plaats. Tevens kan er sprake zijn van stortgrond uit de stad. Kortom, er zijn meer gegevens uit het bodemarchief te halen. Met de vermelding van de ons bekende gegevens hebben we een aanzet willen geven tot een verdere inventarisatie. Dit artikel kan dan ook worden opgevat als een oproep aan detector-amateurs en amateur-archeologen. Hun archeologische data kunnen de archivale gegevens aanvullen en een geïntegreerde geschiedenis van de Goudse lakennijverheid wacht dan om geschreven te worden. [Dit artikel verscheen eerder op geschiedenis.nl, het is geschreven door Leon Mijderwijk] |
AdvertentiesUw klik is geld waard!Help ArcheoNet online te houden: bezoek de onderstaande links! Zoeken met GoogleHoud ArcheoNet online! Zoek met Google:DisclaimerNieuwsberichten worden op internet gezocht, uit dagbladen overgenomen of toegestuurd.Archeonet is niet verantwoordelijk voor de inhoud van de artikelen. De achtergrondfoto is afkomstig van Museum Het Valkhof. |